Het Veenmuseum, Waar de veenhistorie leeft

Het Veenmuseum, Waar de veenhistorie leeft

In N.O. Overijssel is in de gemeente Twenterand tegen de Duitse grens aan het Veenmuseum gevestigd. Het gebied is onderdeel van een vroeger enorm groot moerasgebied waar in duizenden jaren het hoogveen is gegroeid.

 

In het Veenmuseum krijgt de bezoeker een beeld van het zware leven van de veenarbeiders en hun gezinnen waar de vrouwen probeerden de eindjes aan elkaar te knopen. De gezinnen waren vaak kinderrijk, want al vanaf een jaar of zes konden die kinderen meehelpen turven “om te zetten” om daarmee een paar cent te verdienen en het gezinsinkomen wat te verbeteren.

Het veengebied

Het veengebied is inmiddels grotendeels afgegraven voor de productie van turf voor brandstof en turfmolm voor de productie van potgrond. Alleen in het Natura 2000 gebied van de Engbertsdijksvenen is het oorspronkelijke veengebied nog herkenbaar aan de moerassen met heide en pijpestrootjesgras.

 

Het veen werd het bruine goud genoemd. In de periode van ruwweg tussen 1850 tot 1970 werd het veen in de driehoek Vriezenveen, Westerhaar en Kloosterhaar afgegraven door de turfstekers, die vaak van generatie op generatie een karig bestaan vonden in de vervening. Een gebied waar in de begintijd geen elektriciteit of andere voorzieningen aanwezig waren en waar men woonde in zelfgebouwde veenhutten of keten.

 

VeenmuseumDe meeste turfgravers waren in dienst bij een veenbaas die de rechten had verworven om het veen van grote percelen te laten afgraven.
Turfgraven was seizoenswerk. In de periode van april tot eind juli kon je zo’n vier maanden turfsteken. Die turven moesten allemaal dezelfde afmeting hebben om goed stapelbaar te zijn voor het transport. Daarna was er ongeveer vier maanden nodig om de turf droog te krijgen voor de winter inviel, want een natte turf die bevriest en vervolgens ontdooit valt in vlokken uit elkaar en was dus waardeloos als brandstof.

Na het drogen kon de turf afgevoerd worden met paard en wagen of in kleine en grotere schepen door de gegraven kanalen (wijken genaamd). Die turven konden in het Westen van ons land, waar toen ook al de meeste mensen woonden, worden verkocht als brandstof.

In de overige vier maanden van het jaar was er geen werk in het veen of de regio, dus ook geen inkomen, want uitkeringen bestonden nog niet. De turfstekers-familie moest dus in een periode van ongeveer 8 maanden zien een inkomen voor een heel jaar te verdienen.

Als dat niet lukte kon je, als je toezegde dat je volgend jaar weer voor je veenbaas ging werken, in zijn kruidenierswinkeltje “op de lat” (de kerfstok), op krediet levensmiddelen kopen. Dat gold uiteraard alleen voor het winkeltje van je veenbaas en niet voor andere winkels.

 

Het winkeltje van de veenbaas was vaak gecombineerd met een gelagkamer of café. Daar werd op zaterdagmiddag het loon uitbetaald en werd een borrel geschonken om de alledaagse ellende even te vergeten. Het betekende wel vaak dat moeder de vrouw niet alle inhoud uit het loonzakje ontving.

 

Nu is in het gebied nauwelijks nog iets te herkennen van de vervening. Op de afgegraven gronden zijn inmiddels veel boerenbedrijven gevestigd.

In het begin van de tachtiger jaren van de vorige eeuw staken een aantal enthousiastelingen de hoofden bij elkaar rond het idee: “Het is de moeite waard de geschiedenis van de vervening te bewaren en te laten zien”. Zij begonnen heel bescheiden een veenmuseum in het prachtige natuurgebied Het Veenschap, waar nog restanten van het veen zijn terug te vinden.

Inmiddels is het museum, dat geheel door vrijwilligers wordt gerund, uitgegroeid tot een sfeervol historisch museum dat jaarlijks rond de 12.000 bezoekers trekt en zich kenmerkt door de informele en gezellige sfeer die er heerst. In de expositieruimte van het museum treft de bezoeker talloze voorwerpen aan die met de veengeschiedenis van de streek te maken hebben. Zo wordt er een authentieke film uit ongeveer 1930 vertoond over het veensteken en is er een maquette waarop het verveningsproces wordt uitgebeeld.

Naast de wandelroute van ongeveer een half uur over het museumterrein kan de bezoeker zich laten vervoeren met één van de oude veentreintjes die onderweg stoppen bij de geheel in oude stijl ingerichte veenhutten en het winkeltje annex gelagkamer van de veenbaas. Een nagebouwde Vriezenveense boerderij met kapschuur completeert het beeld van de veenhistorie.

Direct naast het museumterrein is door de vereniging van grondeigenaren een originele schaapskooi herbouwd voor de schapen die door begrazing het terrein in de oude staat proberen te houden.

Rondleidingen

De bezoeker kan een rondleiding krijgen waarin op beeldende wijze informatie wordt gegeven en verhalen worden verteld over de veengeschiedenis van de streek.

 

Het Veenmuseum is geopend tussen 1 april en 1 november van dinsdag tot en met donderdag van 10.00 – 16.00 uur en op zondagmiddag van 13.00 – 16.30 uur. (de laatste treinrit start een half uur voor de sluitingstijd). Op andere dagen is het museum op afspraak geopend voor groepen van minimaal 15 personen. Een prima uitje voor uw familiereünie of uw vereniging!

Uniek is dat er geen vaste toegangsprijs wordt gevraagd maar een vrije gift (vorig jaar bracht die gemiddeld € 2,50 per volwassenen op en € 1,50 per kind tot 12 jaar).

Op het prachtige op het zuiden gelegen terras kan de bezoeker een kop koffie/thee of een glas frisdrank gebruiken met een originele plak Twentse krentenwegge of Twentse boerencake.

Meer informatie:

www.veenmuseum.nl
of telefonisch: 06 12 49 61 80

 

Reacties

Wij horen graag van u
Er zijn nog geen reacties Geef als eerste een reactie